Terug
 
"Die renden allemaal op de glasscherven, zo’n snerpend, naargeestig geluid, iets wat ik bij wijze van spreken nog kan horen."
Martin Landman (Rotterdam, 1927)
Dit verhaal is onderdeel van luistervoorstelling: Het Vergeten Bombardement van 1943.
En onderdeel van de collectie: Het Vergeten Bombardement van 1943.

Mooie herinneringen liggen in de Justus van Effenstraat, waar hij opgroeide in het Justus van Effencomplex, nu een Rijskmonument. Het pand is in 1922 gebouwd, had al centrale verwarming en een badhuis. Zijn vader was kapper, werkte lang in het Zuiderziekenhuis en was ook nog secretaris van de kappersvakbond in Rotterdam. Zijn moeder werkte bij als hulp in de huishouding. ,,Humanisten en socialisten van het eerste uur.’’
Dertien jaar was hij toen de oorlog uitbrak. Met vriendjes was hij achter de dijk bij het spoor aan het spelen, toen ze vier gevaarlijk uitziende militairen tegenkwamen. ,,Die waren op weg naar Rotterdam, we schrokken ons het apezuur.’’ Een van de Duitsers vroeg hem: ‘Wo ist die Stadtmitte?’ Martin antwoordde: ‘Immer geradeaus’ en rende vervolgens naar de politie. Na het grote bombardement op Rotterdam zag hij de grote uittocht van mensen met karretjes, fietsen, kinderwagens, die allemaal onderdak zochten. Ze hebben een paar mensen in huis gehad, tante Geertje en haar gezin uit de Zwarte Paardenstraat. ,,Heel provisorisch, om ze op te vangen. Er waren veel mensen die dat gelukkig deden.’’ In de eerste oorlogsjaren maakte hij vlakbij nog meer bombardementen mee van de geallieerden. Eerst dook hij na elk luchtalarm zoals voorgeschreven in de kelder, op den duur deed hij dat niet meer. ,,Dat waren nachtbombardementen, het was bijna elke avond raak. Ik was een eigenwijs jongetje. Ik bleef lekker in mijn bed liggen.’’
Op 31 maart 1943, de dag na zijn verjaardag, ging hij naar opa en oma. Die woonden in het Oude Noorden, aan het Zwaanshals. Na zijn bezoek stapte hij weer in de tram, richting huis. Toen de tram op de Nieuwe Binnenweg was, ging het luchtalarm. Daarop stapte iedereen uit en zocht beschutting. ,,Ik was een beetje eigenwijs, ik ging verder lopen. Ik moest nog voetballen, trainen, een boterham eten.’’ Op de Schiedamseweg, ter hoogte van Juwelier Kok, ging nogmaals het luchtalarm. ,,Ik denk, laat ik maar eens in een portiek stappen. Ik kijk naar buiten en daar staan vier matrozen van de Ierse marine, een beetje opzichtig te lachen en zo en naar boven te wijzen. En toen stapte ik eruit, keek naar boven en ik zie door de wolkenflarden een heel eskader bommenwerpers gaan. Gelijk daarna, net boven de huizen en wam, die matrozen lagen plat op straat. In een flits was dat en ik werd achterover gesmeten.’’ Onder het puin en kalk kroop hij naar buiten, om naar huis te gaan. Buiten zag hij iedereen rennen. ,,Die renden allemaal op de glasscherven, zo’n snerpend, naargeestig geluid, iets wat ik bij wijze van spreken nog kan horen.’’
Nadat hij thuis een boterham had gegeten, snelde hij weer terug naar het getroffen gebied. Daar zag hij de ravage. Later hoorde Martin dat een man van zijn voetbalclub Neptunus zijn hele gezin had verloren. Ook een vriendinnetje van zijn zusje overleefde het niet; zij zat in de wachtkamer bij dokter Vader aan de Schiedamseweg. Dat pand kreeg een voltreffer. Na de bevrijding leerde hij zijn vrouw kennen in Roosendaal. Martin is uiteindelijk gaan werken bij de Kamer van Koophandel. Hij woont al ruim 40 jaar in Gouda.

Meer verhalen met
Trefwoord: bombardement  
Onderwerp: Oorlog  
Locatie: Rotterdam-West  
Deel dit verhaal
Credits
Techniek/editing: Laura Schalkwijk
Interviewer: Laura Schalkwijk
Muziek: Marlies du Mosch
Ondersteund door: Linda Malherbe, Joop Reijngoud
Meer vertellers uit deze luistervoorstelling
"Je hoorde die bommen overgaan. Maar in principe wij stonden zo bij elkaar en als je nou zegt, ben je echt bang geweest? Zeg ik nee. Klinkt heel gek.."
"Dan weet je niet wat je ziet. De huizen lagen in puin en de lijken lagen opgestapeld.''
"Ik stap net binnen en gelijk kledder: enorme explosies. De kalk vloog van het plafond."
"Een Duitser zei nog: gaan jullie maar in het midden lopen, want dadelijk vallen de muren om en dan leef je niet meer."
"Mijn moeder pakte ons op een gegeven ogenblik vast en hield ons stijf tegen zich aan. Oren dicht. Zodra het was afgelopen, was het stil. Alleen maar dood- en doodstil."
"Er was een enorme paniek in huis en ik ben dus naar de voorkamer gelopen, keek naar buiten en zag dat het allemaal in elkaar lag."
"Mijn vader was uit zijn werk gaan zoeken. Die kwam bij de Schiedamseweg aan, zag dat gat en dacht dat we allemaal dood waren."
"M'n broertje was weggekropen. Die was op het toilet gegaan en zat onder het bloed. Mijn oudste zus riep: ‘Moeder, we gaan eraan."
"Zo om een uur of vijf, half zes, werd op het Marconiplein voor de mensen, die allemaal dakloos waren natuurlijk, brood uitgedeeld en makrelen en dat hebben we ’s avonds gegeten."
"Dus ik doe de buitendeur open en ik zie vanaf de Marconipleinkant een enorme stofwolk aankomen. In die stofwolk liepen allemaal mensen."
"De ene steen na de ander werd weggehaald, totdat ze een stukje ceintuur vonden van haar jas. Ze is gevonden."
"We konden nog ontkomen, al kon mijn moeder niks meer meenemen. Ze zei: gelukkig heb ik mijn jongens nog."
"Dat was een hoop gegil, gekrijs. Daarna ben ik weggezakt."
"De opdracht was: als een bombardement dreigt, allemaal onder de trap. We stonden daar en mijn oudste zus zei op een ogenblik: ‘We hebben George vergeten."
"Het is afschuwelijk om de branden zo dichtbij te zien en te ruiken."
© 2024 Verhalen van Rotterdammers | Website door Mediabreed