Terug
 
"We hebben er toen nooit geen last van gehad. Na de oorlogsjaren, toen deden we boodschappen voor deze vrouwen. Je kon ze bij naam en toenaam. Zwarte Bet, zwarte Greet, manke Tilly."
Stien Bontje (Rotterdam-Crooswijk, 1940) en Marius Kloos (Rotterdam-Katendrecht, 1934)
Dit verhaal is onderdeel van luistervoorstelling: Uit de Rechthuislaan.
En onderdeel van de collectie: Verhalen van Katendrecht.

Stien Bontje verhuisde op haar tiende vanuit Crooswijk naar Katendrecht. Haar vader had een zaak in lompen en metalen. Ze kwam te wonen op Rechthuislaan 1a, waar nu Belvédère zit. Op de begane vloer zat toen de Griekse nachtclub Xenos. Marius Kloos werd geboren op Katendrecht, boven café het Blauwe Front (later clubhuis de Boei) aan de Veerlaan. Tijdens de oorlogsjaren heeft hij op een boerderij in Gelderland ingewoond. Toen hij terugkwam in Rotterdam (opgehaald door zijn vader, op de fiets) was hij een sterke jonge jongen, in tegenstelling tot de andere Katendrechters, die de hongerwinter hadden meegemaakt. Marius was 14 toen hij ging varen. Stien en Marius ontmoetten elkaar in café Consul Bar, waar Marius een bijbaan had, naast zijn werk bij de marine. Ze trouwden en waren een van de eerste krakers, boven de winkel van Zee. Van de prostituees hadden ze nooit last, tot de inmenging van de Haagse penoze in de jaren 70. Toen zijn Stien en Marius met hun twee kinderen en een derde op komst verhuisd naar de Mijnsherenlaan. Toentertijd waren dat chique driekamerappartementen. Daar hebben ze 17 jaar gewoond, eer ze terugkeerden naar Katendrecht. Ze houden het inmiddels al ruim 60 jaar met elkaar vol en vormen samen een actieve spil in de soos van 55+ flat Maaszicht.

Meer verhalen met
Onderwerp: Wonen  
Locatie: Katendrecht  
Deel dit verhaal
Credits
Techniek/editing: Laura Schalkwijk
Interviewer: Laura Schalkwijk
Muziek: Marlies du Mosch
Ondersteund door: Joop Reijngoud, Linda Malherbe
Meer vertellers uit deze luistervoorstelling
"Een zus van mij kreeg verkering met een jongen van Katendrecht, van de familie Van Maarschalkerwaard. En ja, die woonden hier op de Rechthuislaan, tegenover de katholieke kerk. En dan waren er weleens van die dingen van Clubhuis De Boei en zo. En daar gingen zij dan naartoe. Nou, dan mocht ik ook mee."
"Ik heb ook trainingen gegeven in de buurt, voetbaltrainingen, rapworkshops. En dat zie je ook een soort broederschap ontstaan. Bij mij ging het altijd om respect, hè, elkaar waarderen en samenzijn. Dat zijn mooie dingen toch, met liefde met elkaar omgaan."
"Als je hier woont of in de stad, dat is een hemelsbreed verschil. Mensen zijn mensen natuurlijk, maar ze hebben daar een hele andere mentaliteit. Dit moet je zien als een dorp."
"Het was gewoon een prostitutiebuurt en ik ben daarin opgegroeid en we hebben er plezier van gehad, want je hebt er zelfs geld aan verdiend. En dat waren wij niet alleen: half Katendrecht verdiende er geld aan. Kamertjes timmeren, of kamertje behangen, of even de hond uitlaten, of weet ik veel wat. Die meiden waren altijd wel goed met de tip."
"Verderop in de straat had je de winkel van Romeijn zitten. Dat was meer een volkszaak. Bij ons kwam, ik zal niet zeggen de elite, maar wel ander volk."
"Mijn oma zei altijd: je kunt beter boven een hoerenkast wonen dan boven de kerk, want als je honger hebt, krijg je van die hoeren te vreten, van de pastoor niet."
"In de kapsalon hoor ik heel veel verhalen. Ja, natuurlijk maak je ook soms gekke dingen mee. Dat hoort er bij. Eigenlijk ben je een soort maatschappelijk werk. Je luistert, ze willen alleen dat iemand er voor hun is. En hun begrijpt."
© 2024 Verhalen van Rotterdammers | Website door Mediabreed